Verhalen

Kruisboom, fictie of waarheid?

Vlakbij waar ik opgegroeid ben, liep een zandpad de weilanden in. Langs dat zandpad stond ooit een massieve meerstammige eik. De omtrek was gigantisch, en zelfs met 10 man kon je deze niet omspannen! Zie de foto om een induk te krijgen. En zie de persoon links. Zo enorm groot was de boom.

De boom is uiteindelijk in 1919 geveld. Eerdere pogingen waren mislukt, want uit de oude stam groeide gewoon weer een nieuwe boom. Deze boom moet er honderden jaren gestaan hebben. In de kruin van de boom scheen zelfs een grote plas water te staan. ‘s-Zomers en ‘s-winters!

En over deze boom gaan de meest fantastische verhalen rond. Ik heb er zelf ook een verhaal over. Het is geen mooi verhaal. Het is een zwart verhaal. Een verhaal over dood en verderf. Geen sprookje dus voor de allerkleinsten!

Het verhaal begint met Mijndert en Jacoba. Een boer en zijn vrouw die enkele honderden jaren geleden in de buurt van deze boom woonden. Het ging niet goed met Mijndert en Jacoba. Ze hadden geen kinderen. Wel geprobeerd, maar de vijf zwangerschappen van Jacoba werden onder duistere omstandigheden niet tot een goed einde gebracht. Daarnaast boerde Mijndert al jaren op zijn boerderij zonder goede resultaten. Elk jaar ging er veel oogst verloren. Dat terwijl zijn grond prima landbouwgrond was. Toch zaten zijn aardappels verrot in de grond, terwijl het niet erg nat was geweest. Zijn boontjes groeiden niet uit tot volwaardige bonen, en zijn bloemkool was nooit mooi wit van kleur en bleef veel te klein. Al jarenlang was het dus aanmodderen, en vaak was er niet eens fatsoenlijk te eten.

Mijndert had gehoord van de kruisboom en de verhalen die in het dorp rond gingen. Verhalen over heksen, tovenarij, zwarte magie, trollen en satanische rituelen.
Hij was wel eens ooit gaan kijken. ‘s-Avonds was ie wel eens alleen richting de boom gelopen. Op een afstand van een paar honderd meter had ie in het stuikgewas gekeken naar de taferelen die zich afspeelden rond de boom. Een rode gloed hing om de boom, en in die gloed meende hij heksen op bezemstelen te zien. Ook liepen er kleine mensjes te dansen rond de boom, en af en toe hoorde hij gekrijs dat door merg en been ging. Mijndert kreeg er kippenvel van, en sloop stilletjes weer huiswaarts.

Maar na het zoveelste jaar van mislukte oogsten was ie het zat. Alhoewel Jacoba smeekte om niet naar de Kruisboom te gaan, was Mijndert niet te vermurwen! Hij ging! Basta! Hij was de ellende meer dan zat.

Die avond, het was een koude grauwe avond in mei, trok hij zijn laarzen en jas aan, en trok naar de boom. In zijn laarzen zaten gaten, en ook zijn jas was tot op de draad versleten. Hij voelde zich al niet erg lekker, zijn maag knorde van de honger en hij had een beetje hoofdpijn. Hoe dichter hij echter bij de boom kwam, hoe beter hij zich begon te voelen. Zijn hoofdpijn trok weg, en hij werd steeds fitter. Zelfs de gaten in zijn laarzen waren verdwenen. Zijn jas begon ook steeds nieuwer te worden. Er zat weer een gesp aan zijn riem. De gesp die hij lang geleden bij het bewerken van het land verloren was. Vreemd!

Nog steeds zag ie in de gloed rond de boom dingen vliegen, scherpe stemmen lachen, mensen schreeuwen. Hij meende een grote man te zien, geheel in het zwart met vingers met hele lange nagels. Op zijn hoofd leken hoorntjes te staan. Met grote gebaren zwaaide hij over het vuur, waaruit geregeld felle vlammen de lucht in schoten.

Toen ie tot een tiental meters genaderd was, bleef ie staan. Hij zag niets meer vliegen in de lucht, De kleine mannetjes waren weg, en de rode gloed ook. Enkel het grote knisperende vuur brandde nog, en rond het vuur meende hij mensen te zien zitten, die zaten te eten en te drinken. Een vrolijk gezang klonk. Had hij zich al die enge dingen maar ingebeeld of…

Zijn angst was verdwenen. Zo gevaarlijk zag het er allemaal niet uit. Hij besloot eens te gaan kijken bij het vuur. Toen ie tot op 5 meter genaderd was, draaide één van de mannen zich om, en wenkte hem. Met een vriendelijke stem riep ie: “Kom erbij zitten! Plaats genoeg!”
Nou, dat liet ie zich geen twee keer zeggen. Hij nam plaats op een grote boomstam, en warmde zich aan het vuur. Hij kreeg een beker wijn aangereikt, en een bord met heerlijk vlees. Wat een vreemd vlees. het had de vorm van een been, maar het rook overheerlijk en het was goed gaar. Hij at alsof zijn leven er vanaf hing, en de bekers met rode wijn gleden naar binnen. Wat een vreemde rode wijn was dat, en sterk! Hij was alweer vergeten waarvoor hij kwam. Tot de laatste uurtjes bleef ie meezingen, eten en drinken. Wat een geweldige avond.

Tot op een moment dat een grote mot rond zijn hoofd begon te vliegen. Het leek alsof de mot een gezicht had, en hem iets wilde zeggen. Hij sloeg naar de mot. Weg hier! Ik heb de tijd van mijn leven. De mot bleef echter aanhouden, alsof ze wilde zeggen dat ie weg moest gaan zo lang het nog kon! Maar hij had daar geen zin in. Hij bleef liever hier. Gezellig bij zijn nieuwe vrienden.

Toen de mot voor de zoveelste keer een rondje draaide rond zijn hoofd, zag ie ineens een lange arm de mot uit de lucht grissen. Het was dezelfde grote man met die hoorntjes die hij op afstand gezien had. Rond hem hing een kille, ijzige lucht. Zijn felle, bloeddoorlopen ogen keken hem aan, en met een zware stem zei hij: “hier heb je die vervelende witte mot”. Hij nam de mot uit de handen met de lange nagels. “En nu trek zijn vleugels maar uit”, sprak de man met een dwingende stem. “Dan ben je verlost van alle ellende”. Mijndert was erg zachtaardig en zou nooit een dier iets aandoen, maar de stem was zo dwingend dat hij het beest bij de vleugels pakte, en beide in 1 ruk van het lichaam aftrok. Hij smeet de rest op de grond. Het arme beestje kroop onder een boomstam.

Een nieuwe lading vlees en wijn ging rond, en Mijndert voelde dat hij niet veel drank meer nodig had. Het glas viel uit zijn hand, en hij viel in slaap. Een diepe slaap. Pas toen de eerste zonnestralen op zijn gezicht vielen, werd hij wakker. Hij had weer een lichte hoofdpijn, en alles deed zeer. Er zaten weer gaten in zijn laarzen, en zijn gesp was weer van zijn jas. Had ie alles gedroomd? Er waren nog wel enkele resten van een kampvuur te zien, maar dat was ook het enige. Had ie dit nu echt allemaal meegemaakt, of was het de zoveelste tegenslag in zijn leven? Hij besloot maar weer huiswaarts te gaan.

Mijndert kreeg de schrik van zijn leven toen hij huiswaarts liep. Links en rechts lagen lichamen zonder benen. Tientallen! Hij ging hard lopen, en af en toe struikelde hij. Toen hij de boerderij naderde was het doodstil. Hij hoorde zijn koe niet, zag niets op het erf, en zijn kippen waren muisstil. Hij liep het erf op en in de verte zag ie twee rode sporen op de grond. Hij riep Jaboba, maar er kwam geen enkele reactie. Hij besloot de rode sporen te volgen. Ze liepen recht de hooischuur in. Daar vond ie Jacoba…. ze lag in een plas bloed en beide armen waren er af gerukt….